Tot 1848 was er nog geen poging gedaan om kleuren toe te voegen aan fotografie. De eerste poging daartoe werd gedaan door Edmond Becquerel in 1848. In 1851 waren we al zover dat, met behulp van een laagje zuiver zilverchloride, op een onstabiele manier kleuren te weergeven waren.
In 1869 maakte Louis Ducos du Hauron, de eerste kleurenfoto, met behulp van lichtdecompositie in drie primaire kleuren, volgens de kleurentheorie van Maxwell: rood, geel en blauw. Hij maakte drie foto’s van hetzelfde onderwerp, elk door een ander filter: een rode, een gele en een blauwe foto. Daar kwamen drie positieven uit die hij kleurde met de kleur die bij die filter hoorde, met het gevolg dat als hij de drie afbeeldingen over elkaar legde, hij alle drie de kleuren als in één afbeelding terugzag.
De natuurkundige Gabriel Lippman onderzocht in 1891 een andere manier om direct kleuren op één afbeelding te verkrijgen, namelijk met behulp van een interferentieel proces van Holografie. Hier ontving hij in 1906 zelfs een Nobelprijs voor. Deze uitvinding leek echter te ingewikkeld om echt te gebruiken, en werd dan ook nooit buiten het laboratorium getest.
De geleerden gaven niet op. In 1906 creëerden de gebroeders Lumière een autochrome plaat die gebaseerd was op het principe van de trichromatische synthese, waarbij er op één afbeelding een mozaïek van microfilters in de primaire kleuren werd toegevoegd. Dit werd gerealiseerd met minuscule gekleurde korrels aardappelzetmeel. Dit was het eerste kleurproces wat een toekomst leek te hebben voor amateurfotografen.
De kleurenfotografie sloeg een nieuwe richting in toen R. Fisher in 1911 een belangrijke ontdekking deed op dit gebied. Dit was de chromogene ontwikkeling, waarbij samen met het zilver van de afbeelding ook een kleurstof wordt gevormd, door van tevoren vastgestelde eigenschappen. Door het zilver te verwijderen, hield men alleen de kleurstof (en dus de kleur) over.
Agfa kwam in 1936 met het trichromatische principe om zijn Agfacolor-films te realiseren. De films bestonden uit drie boven elkaar geplaatste lagen, respectievelijk gevoelig voor blauw, groen en rood. Elke laag werd ingekleurd tot een kleur van zijn gevoeligheid werd uitgevonden. De superpositie gaf een beeld in kleur. Deze kleurweergave zorgde ervoor dat de lensproductie sterk verbeterd kon worden, met het doel de kleuren van het onderwerp zo goed en nauwkeurig mogelijk over te brengen. Iets later verbeterden L . Mannes en L. Godowsky (twee Amerikanen) dit proces. De uitvinding werd gekocht door Kodak, en hierna Kodachrome genoemd. Voor geavanceerde kleurenopnames vandaag de dag, gebruiken we nog steeds een combinaties van veel van deze uitvinden, zoals zilverbromide en basisprincipes van Agfacolor en Kodachrome.